Faghjørnet
 

 

| home | scheikundehoek | de geschiedenis van organische chemie |

De levenskracht

Zelfs aan het begin van de 19e eeuw dacht men nog steeds dat organische verbindingen alleen in planten en dieren konden voorkomen. Mensen dachten dat er een geheimzinnige macht nodig was – de zogenaamde “levenskracht” – om zulke stoffen te produceren. Organische stoffen konden daarom niet in laboratoria worden geproduceerd.

Maar in 1828 produceerde de Duitse chemicus Friedrich Wöhler (1800-1882) ureum, een bestanddeel van urine, in een laboratorium. Deze chemische verbinding werd beschouwd als organisch, maar omdat een van de onderdelen van de verbinding van organische oorsprong was, beweerden sommige mensen dat de levenskracht nog aanwezig kon zijn.

Wöhler zelf was erg onzeker over de resultaten van zijn laboratoriumtest en wachtte vier jaar voor hij ze publiceerde. Pas in het midden van de 19e eeuw hadden zoveel laboratoriumtesten plaatsgevonden en waren zoveel organische verbindingen geproduceerd, dat de levenskrachttheorie verdween uit de chemische wetenschap.